Het Hollandsch Diep, de bekende grote rivierarm die in verbinding staat met de Rijn en de Maas, werd mijn nieuwe uitdaging. Die geweldig grote lap water wist mij altijd al een groot gevoel van euforie te bezorgen. Zo ongeschonden en volslagen onbekend. Een droom, die volgens enkele betrouwbare bronnen ook zomaar in rook kon opgaan. 

Tekst en foto’s: Robert Grootenboer

Elke vis was voor mij een overwinning.



Wie het Hollandsch Diep wil trotseren kan letterlijk en figuurlijk op zijn bek gaan. Zo was er bijvoorbeeld Harry. Harry en ik kenden elkaar al enige tijd en konden samen goed door één deur. Harry maakte bij één van zijn dappere reddingspogingen een slipper als gevolg van een spekgladde basaltkei. Resultaat: Een dikke barst in zijn veiligheidsbril en bijna blind aan één oog. Hij kwam met de schrik vrij en overleefde de aanslag gelukkig. De basaltkeien waren zogezegd onze grootste vijanden, maar tegelijkertijd ook weer onze vrienden. Spekglad en hier en daar voorzien van een vlijmscherp randje in de vorm van driehoeksmosselen. Laatstgenoemde waren als het op karpers aankomt een regelrechte zegen! Een magnifiek strijdplan kwam zomaar op tafel, alsof het ons werd aangeboden door de Goden. Zeus keek waarschijnlijk omlaag en liet misschien zijn adelaar af en toe polshoogte nemen om te kijken hoe het allemaal verliep. Ze zullen daar wel om ons gelachen hebben. Welke idioot trotseert nu het grote water met een surfplank terwijl zijn wapengerei zich tussen zijn tanden bevindt en de bedrading strak gespannen staat? Een secuur geplaatste speciekuip op het vaartuig mocht pas in actie komen bij het bereiken van de bestemming, maar vele malen lag dit zover uit de kant dat het nog wel eens afliep met een voetzoeker. Hier en daar voerden we zomaar een klein beetje. Toch slaagde onze eerste missie aan het grote sop. Hoe we het voor elkaar kregen was voor vele andere soldaten een groot vraagteken. Dat immense grote water dat werd belaagd door twee knapen die net om de hoek kwamen kijken. Hoe was het mogelijk!? Zo magnifiek was dat strijdplan toch niet? Voer dumpen en verscholen afwachten tot er weer een tandeloze dame met een dikke pens, getuite lippen en grote voorgevel om nood riep.

Alleen die flank al…



Al snel viel het ons op dat wat mooi is je niet per se van ver hoeft te halen, zeker niet midden in de nacht. Zoals het echte krijgers betaamt, werd er geen licht gebruikt. Je zou jezelf nog verlinken! Na enig onderzoek bleken de beschubde dames zich graag bij hun ochtendritueel bloot te geven en maar al te graag vlak voor je neus, alsof ze het leuk vonden. Diezelfde morgen gaf een mooie dame met lokken die zo mooi gekleurd waren als het lichtste licht van maan, zichzelf prijs. Dat ik hier van onder de indruk was bleek wel uit mijn versierpoging. Ze gilde maar een enkele keer, genoeg voor mij om de redder in de nood te spelen. Bij het binnen halen van de buit bleek het om een oude dame zonder kunstgebit te gaan. Die kwamen we hier overigens wel vaker in grote getale tegen. Alsof er een bejaardenhuis in de buurt lag! De oude dame was inmiddels bijna binnen handbereik en klaar om gekieteld worden. Een blik was voor mij genoeg om smoorverliefd te worden, die glans van haar! Een ware hartenbreker van het type ‘eenmaal en daarna ben ik weg’. Ik was er beduusd van en besloot mijn kans te grijpen. Ik sprong het slagveld in tot aan mijn nek, in de hoop daarbij de vele levensgevaarlijke basalt keien te ontwijken. Ze kwam op haar enorm brede rug te liggen en beloonde mijn roekeloze poging door rechtstreeks in mijn armen te zwemmen. Wat je al niet over hebt voor een vis!

Voor even was ze de mijne, voor even was ik smoorverliefd!