Karpervissen, het lijkt zo simpel tegenwoordig. Je zoekt een stek, vaart met je rubberbootje of baitboat en dieptemeter over het water, vindt een aantrekkelijk plateau of talud, je dropt je aas keurig naast de marker met wat voer erbij – het kan eigenlijk niet misgaan, toch? Maar hoe vaak blijkt het niet dat de hengel die op de zo op het oog perfecte stek ligt niet het verwachte resultaat oplevert terwijl een andere hengel om de haverklap afgaat?

Foto’s en tekst: Arnout Terlouw

Het lijk zo simpel; keurig je aas droppen en dan wachten op een aanbeet.


Eigenlijk weten we nog heel weinig van wat er zich onder water afspeelt, ondanks alle onderwaterbeelden. Hoe langer je vist hoe meer je er achter komt dat er geen wetten bestaan en dat vele ‘zekerheden’ maar al te vaak helemaal geen houvast bieden. Veel hangt af van het (aas)gedrag van de karper en die varieert van water tot water en de tijd van het jaar speelt daarin natuurlijk ook een grote rol. Maar het aasgedrag kan ook van dag tot dag verschillen, zelfs van uur tot uur!

Zo vis ik in het najaar regelmatig op een groot diep water, op een talud wat van een ondiepte geleidelijk afloopt van 3 naar 7 meter, met aangrenzend een smal langgerekt plateau waar nauwelijks 3 meter water op staat. Je zou verwachten dat in het vroege najaar, voor de eerste nachtvorsten zijn gearriveerd, de karpers de voorkeur geven aan de ondiepere stekken boven op het plateau of aan de bovenkant van het talud. Het tegendeel blijkt vaak waar te zijn. In de maanden september tot half oktober komen de aanbeten vaak van de diepere hengels die op dieptes tussen de 5 en 7 meter liggen en naarmate het kouder wordt komen meer en meer aanbeten van de hengels die op het plateau liggen of op 3-4 meter liggen aan de bovenkant van het talud. Vroor het dat het kraakte dan kwamen de aanbeten maar al te vaak van de ondiepe hengels!

Hoe kouder, hoe ondieper de karpers gingen azen!


Maar ook dit blijkt weer geen algemene stelregel te zijn voor deze specifieke plek. Meermaals is het ons overkomen dat de ene dag de diepere hengels beduidend productiever zijn en een dag later is het omgekeerde het geval en dat terwijl er zo op het eerste gezicht weinig of niets is veranderd. De wind waait nog uit dezelfde hoek, de temperatuur is vrijwel hetzelfde en het is nog steeds zwaarbewolkt. Het is zoals zo vaak de vis die uiteindelijk alles bepaalt.

Hoe vaak gebeurt het niet dat je met het volste vertrouwen naar de waterkant gaat, je logboek laat zien dat je vorig jaar in dezelfde tijd van het jaar met exact dezelfde omstandigheden je armen krom hebt getrokken op de karpers die als gekken sprongen in de hoge golven. Dit keer staat ook het schuim op de kant maar geen karper laat zich zien, niet boven en niet onder water. Weer een desillusie rijker!

Resultaten behaald in het verleden bieden geen garantie!


Nee, wat er precies omgaat in de koppen van karpers, blijft voor ons meermaals een raadsel. Misschien maar goed ook, ook al is dat soms maar moeilijk te accepteren! Toch ligt daar de oplossing – kun je dat wel accepteren dat kun je daar flexibel mee omgaan. Je accepteert dan wat makkelijker (niet te makkelijk!) dat de vis soms gewoon geen zin heeft om te azen, of dat z’n (aas)gedrag vandaag anders is dan verwacht. Inspelen op het veranderde aasgedrag is dan vaak de sleutel tot succes. Succes dat van veel en vaak hele kleine factoren afhangt. We moeten accepteren dat we veel van die factoren niet kunnen beïnvloedden, hoe graag we ook zouden willen maar er zijn soms kleine punten die wel het verschil maken. Punten die op dat moment bepalen waarom die ene hengel wel produceert en de andere niet , terwijl de karpers overduidelijk azen en beide op een aantrekkelijke stek liggen.

Kansen spreiden
Je kunt al je kansen op één kaart zetten, maar beter is om de kansen te spreiden en van daaruit verder gaan. Wat ik daarmee bedoel; leg je hengels op verschillende dieptes en eventueel verschillende plaatsen en kijk wat er gebeurd. Daarom vis ik altijd graag met meerdere hengels op een zelfde talud. Produceert de diepste dan kan het lonend zijn om de andere nog iets dieper te leggen, of andersom wanneer de aanbeten van de ondiepere hengel komen. Het is en blijft op groot diep water een kwestie van uitzoeken op welke diepte vissen azen of zich verplaatsen.

Mag je met drie hengels vissen, gebruik ze dan ook goed en spreid je kansen!


Belangrijk is daarom ook dat je exact weet op welke diepte je aan het vissen ben. Wordt er uitgevaren en met een marker gevist dan weten de meeste karpervissers wel hoe diep ze liggen, anders wordt het wanneer er vanaf de kant wordt geworpen. Op de vraag hoe diep er gevist wordt, is het antwoord maar al te vaak; ‘oh, wel redelijk diep, een meter of vijf denk ik”. Wat hij eigenlijk bedoelt is dat hij het niet precies weet en ook vind dat het niet echt toe doet of hij nou op 3 1/2 meter ligt of op 6, hij ligt immers wel ongeveer waar gevoerd is. Soms maakt het ook niet uit, maar vaak wel! Karpers trekken veelvuldig langs taluds en plateaus (zoveel weten we inmiddels wel) op zoek naar voedsel, of gewoon op weg naar een ander gedeelte van het water. Het zijn voor hun wegen en markeringen onder water. Maar de ene keer prefereren ze om onderaan het talud te zwemmen, de volgende keer aan de bovenkant, en weer een andere keer halverwege.

Tot het donker kwamen de vissen allemaal van de diepere hengels… later was het precies andersom!


Zoals ik al zei kan dat van dag tot dag verschillen en zelfs van uur tot uur. Krijg je een aanbeet op een bepaalde diepte dan is de kans groot dat een ander hengel op ongeveer dezelfde diepte op dat moment ook zal produceren, in ieder geval meer kans dan een hengel die beduidend dieper of ondieper ligt. Op een redelijk steil talud betekent vijf meter verder werpen soms al een verschil in diepte van meer dan twee meter en dat diepteverschil kan het verschil maken tussen vangen en niet vangen! Staat er een marker dan is dat een mooi referentiepunt, maar op afstand (en zeker met golven) is het vaak moeilijk in te schatten (en zeker niet op de meter!) hoever je aas nu van de marker landt.

Ik gebruik graag een (tijdelijke) marker om mijn hengels precies te positioneren.


Om toch precies te weten hoe diep je dan ligt is het tellen van de seconden tussen de tijd dat je lood het water raakte en op de bodem terechtkomt, de oplossing. Tenminste als je vrij precies weet hoe lang je rig erover doet om een meter in het water te zakken. En dat hangt weer af van het loodgewicht (en soort lood), het al dan niet vissen met een PVA stringer of zakje, en kunde om de worp precies op tijd af te remmen en het lood onder lichte spanning te laten afzakken. Om een indicatie te geven; een 3 oz (85 gram) lood met enkele haakboilie zakt ongeveer 1 meter per seconde. Met een stringer wordt dat al gauw 1,5 seconde voor elke meter. Een peervormig lood zakt natuurlijk sneller dan een brede platte flatliner die de neiging heeft om door het water te waggelen op z’n tocht naar de bodem. Een grote of kleine boilie heeft niet veel invloed. Ik ben wat dat betreft een zeikerd; heb ik een vis op 4 meter gevangen dan wil dat m’n aas de volgende keer ook weer exact op die zelfde diepte komt te liggen.

Deze kwam van de bovenkant van een scherp talud, onderaan het talud gebeurde niets…


In deel 2 meer over dieptes, taluds en het gebruik van de dieptemeter.