Het is koud en het blijft koud, althans voorlopig dan. Betekent dat dan dat het karperen helemaal op z’n gat ligt? Wat mij betreft niet, er moet gewoon keihard doorgevist worden. Kort en snel en met de kans op succes, dat zijn de voorwaarden. In dit artikeltje neem ik jullie mee naar ‘warmere’ oorden.

auteur: Rolf Bouman

Koud? Gewoon de warmte opzoeken!



Als je met deze temperaturen een karper wilt vangen, dan moet je weten waar ze liggen. Het is te vooruitstrevend gedacht om te denken dat de vissen nu nog braaf hun rondjes trekken van brug tot brug en van winterhol tot winterhol. Hoewel karpers nu niet direct uitblinken in intelligentie, zijn ze ook niet helemaal stom. Een beetje schubbemans weet wel waar het fijn toeven is in de winter. Karpers zijn koudbloedig en dat betekent dat iedere graad warmer de kans vergroot op vis, of beter gesteld; azende vis.

Gevonden! Een winterbuffel mag terug…



Het zal je niet verwonderen dat de gemiddelde luchttemperatuur in de winter hoger is in de stad dan in bijvoorbeeld de polder. Dat heeft een direct effect op de watertemperatuur. Staat het buitenwater in directe verbinding met het stadse binnenwater? Dan is het aannemelijk dat in ieder geval een deel van het bestand tijdelijk zijn onderkomen heeft gezocht in die oase van warmte. Een graad warmer kan genoeg zijn!

In de stad kan het water zomaar een graadje warmer zijn…



Ik mag graag met mijn digitale thermometer de grachten afschuimen. De verschillen zijn vaak miniem, maar er is altijd wel een stukje water te vinden waar het meeste zonlicht op valt, waar de wind geen vat op heeft en waar de thermo een graadje hoger aangeeft. Wat is er nu toffer dan een paar van die plekjes een paar dagen te voorzien van zoete mais, hennep en wat gebroken boilies en die dan kort en snel af te vissen? Voor je het weet sta je met een kouwe stadsvis in je handen!

Een koude goudklomp binnen het kwartier op een stadgracht.